Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018

Onder 3.23. Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:210.

Met betrekking tot de beoordeling van de getuigenverklaringen door het hof stel ik het volgende voorop. Op grond van artikel 152 lid 2 Rv geldt dat de rechter die over de feiten oordeelt vrij is in de waardering van het aan hem gepresenteerde bewijs. Het bewijsoordeel kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst, maar slechts op begrijpelijkheid. In beginsel heeft de rechter een beperkte motiveringsplicht. Het oordeel over de vraag of het bewijs geleverd is dient tenminste zodanig te worden gemotiveerd dat het oordeel voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in het geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. De rechter is niet gehouden te motiveren waarom hij aan de verklaring van een getuige geen geloof hecht of daaraan minder gewicht toekent dan aan die van andere getuigen. Ook is de motivering van een bewijsoordeel niet onbegrijpelijk op de enkele grond dat de rechter niet aangeeft waarom hij de ene verklaring wel gebruikt en de andere niet. Het is bovendien niet nodig dat de rechter van elke afgelegde getuigenverklaring de inhoud in de uitspraak vermeldt en daarover zijn oordeel uitspreekt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d70e7e882c5867091df853a151e14206f8948f68b6f5ed3a0fcd9e0a5c64c9d6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d70e7e882c5867091df853a151e14206f8948f68b6f5ed3a0fcd9e0a5c64c9d6, en de alinea staat in dat document op bytes 45447 tot 46751.