Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 maart 2018

Onder 3.11. Parket bij de Hoge Raad 20 maart 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:215.

Wat moet worden verstaan onder ‘de richting’ van het onderwijs? Kort samengevat kan daaronder worden verstaan "een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing." De enkele omstandigheid dat een ouder (verdachte) zijn eigen bedenkingen aanmerkt als stoelend op een levensovertuiging brengt echter nog niet mee dat die bezwaren hebben te gelden als bedenkingen tegen de richting van het onderwijs. Zoals hiervoor reeds aangegeven zijn onder overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs in ieder geval niet begrepen bedenkingen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs. De Hoge Raad heeft twee arresten gewezen waarin hij het oordeel van de feitenrechter dat de bedenkingen van de verdachte niet de richting van het onderwijs betroffen, in stand liet. Allereerst HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1985, NJ 2000/703. De rechtbank had vastgesteld dat het bezwaar van de verdachte daarop was gericht dat voor zijn kind de nodige vrijheid ontbrak om zelfstandig te kiezen of en wanneer het naar school gaat en de rechtbank had op grond daarvan geoordeeld dat geen sprake was van bezwaren tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Lpw. De Hoge Raad achtte dat oordeel juist. Verder HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0453. De Hoge Raad oordeelde dat het ter terechtzitting naar vorengebrachte bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat het bezwaar in overwegende mate betreft het ontbreken van de vrijheid van het kind om al of niet naar school te gaan en om te kiezen wat het wil leren, terwijl de enkele omstandigheid dat de betrokken ouder het bezwaar zelf aanmerkt als stoelend op een levensovertuiging, niet meebrengt dat dit oplevert een overwegend bezwaar tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b Lpw. De Hoge Raad liet ook in deze zaak het oordeel van de rechtbank dat de bezwaren van de verdachte niet de richting van het onderwijs betreffen, maar dat haar bezwaren betrekking hebben op de leerplicht als zodanig en de wettelijke inrichting van het onderwijs in stand. Het ging in deze zaak om een michaëlische levensovertuiging die zich tegen elke vorm van door de overheid georganiseerd onderwijs en dus tegen de strekking van de Leerplichtwet als zodanig verzette, zodat de bedenkingen zicht richtten tegen de leerplicht als zodanig.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b35fa2dca568747189693703071bb2c575d73c8c44f5867c92a84a82ea8b3029. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b35fa2dca568747189693703071bb2c575d73c8c44f5867c92a84a82ea8b3029, en de alinea staat in dat document op bytes 45417 tot 48033.