Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 maart 2018

Onder 2.15. Parket bij de Hoge Raad 16 maart 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:258.

De motie Van den Brink is op 12 september 2006 in stemming gebracht en verworpen. Die verwerping past, zoals de rechtbank onder 4.17.3 terecht zegt, bij de keuze in de Wilg voor de oppervlakte als ruilgrondslag. De motie Van den Brink kwam er in feite op neer dat naast de nieuwe ruilgrondslag van de oppervlakte ook de waarde ruilgrondslag zou moeten zijn (al wordt in de tekst van de motie die waarde versmald tot het ‘opbrengend vermogen’ van de gronden). Het behoeft nauwelijks betoog dat dit onmogelijk tot een werkbaar stelsel zou hebben kunnen leiden. Uitgaande van de bandbreedte van 5% die de Landinrichtingswet kende en de Wilg kent, zou alleen een uitruil van gronden mogelijk zijn die onderling én wat betreft oppervlakte én wat betreft waarde niet meer dan 5% verschillen. Kortom, de verwerping van de motie Van den Brink bewijst slechts dat de wetgever geen (onwerkbare) dubbele ruilgrondslag heeft gewild. Die verwerping bewijst geenszins dat waardeverschillen niet tot een financiële verrekening via de LGR leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eaea8ba343a4220b40f3752ed969450989a7fe1850c523fe1c93aa6c8de7a06b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eaea8ba343a4220b40f3752ed969450989a7fe1850c523fe1c93aa6c8de7a06b, en de alinea staat in dat document op bytes 57004 tot 58154.