Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 maart 2018
Onder 2.17. Parket bij de Hoge Raad 16 maart 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:258.
‘De Wilg gaat ten opzichte van de Landinrichtingswet uit van een andere basis voor het ruilen van gronden: niet langer op basis van het voortbrengend vermogen van de gronden, de ‘waarde’ zoals geschat en ingedeeld in klassen, maar op basis van de oppervlakte. Dit systeem is in de Reconstructiewet ook ingevoerd (zie ook par. 7.4.4.1 MvT). De verantwoording van deze keuze wordt onderbouwd door te wijzen op het feit dat agrarische en economische waarde van de grond door ontwikkelingen in de landbouwkundige praktijk steeds minder bepaald worden door bodemkundige factoren, terwijl aan oppervlakte gerelateerde factoren aan belang hebben gewonnen. De Commissie meent dat dit wellicht voor de intensieve veehouderij opgaat (en binnen de Reconstructiewet gaat het in het merendeel van de gevallen om de problematiek van de intensieve veehouderij), maar nog zeker niet voor de niet-intensieve vormen van landbouw, zoals de akkerbouw en (in iets mindere mate) de veehouderij. In deze takken van agrarische bedrijvigheid is voortbrengend vermogen nog steeds een belangrijk gegeven. Bovendien geeft de huidige wijze van waardering/toedeling/verrekening, zoals deze in de Landinrichtingswet wordt toegepast weinig problemen. Men moet zich realiseren dat er weliswaar sprake lijkt van een vereenvoudiging, maar dat dat in werkelijkheid geenszins zo is. Immers het toedelen op basis van de oppervlakte zal er niet toe mogen leiden dat de waarde van de toedeling in geen verhouding staat tot de waarde van de inbreng. Als die waarde lager is, is er immers materieel sprake van onteigening. Waardeverschillen zullen moeten worden vergoed. De Wilg geeft wel een regeling voor de verrekening van verschillen in oppervlakte (…). Artikel 8.3.4.15 Wilg biedt echter geen regeling voor de vraag tegen welke waarde de geruilde grond wordt verrekend, bij gelijkblijvende oppervlakten. Artikel 8.3.4.22 lid 1 onder b Wilg kent wel allerlei andere verrekenposten, maar niet de verrekening van het waardeverschil. Ook MvT zwijgt. De Commissie meent dat – als men al vast wil houden aan de oppervlaktegrondslag – in elk geval bij de lijst van geldelijke regeling zou moeten worden voorgeschreven dat waardeverschillen worden verrekend. Dat is onontkoombaar, tenzij men allerlei civiele claims voor lief neemt. De winst die men dan heeft geboekt met het laten vervallen van de eerste schatting raakt dan geheel verloren. Sterker nog: de zaak wordt juist veel ingewikkelder. Immers: de waardering van de inbreng onder de Landinrichtingswet heeft nog een enigszins forfaitair karakter door de indeling in waardeklassen. Het gaat ook niet om de werkelijke waarde, maar om de ruilwaarde. Dat brengt weer mee dat de eerste schatting meestal weinig echte problemen oplevert. In het nieuwe systeem zal het werkelijke waardeverschil moeten worden vergoed. Dat betekent dat ter gelegenheid van de vaststelling van de lijst geldelijke regelingen taxaties zullen moeten worden verricht, zowel van de ingebrachte grond als van de toegedeelde grond. Deze werkwijze zal vermoedelijk tot veel meer discussies en procedures leiden. De Commissie bepleit de waarde van de grond opnieuw als grondslag voor ruiling op te nemen in de Wilg.’
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eaea8ba343a4220b40f3752ed969450989a7fe1850c523fe1c93aa6c8de7a06b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eaea8ba343a4220b40f3752ed969450989a7fe1850c523fe1c93aa6c8de7a06b, en de alinea staat in dat document op bytes 59525 tot 62748.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eaea8ba343a4220b40f3752ed969450989a7fe1850c523fe1c93aa6c8de7a06b | shasum -a 256