Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 maart 2018

Onder 2.28. Parket bij de Hoge Raad 16 maart 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:258.

In het licht van hetgeen ik hiervoor onder 2.2-2.24 heb gezegd, kan het subonderdeel geen doel treffen. Het beroep op art. 61 Wilg respectievelijk art. 26 lid 2 Bilg gaat niet op. Welbeschouwd geldt voor beide dat de steller van het middel zich ten onrechte van een redenering a contrario bedient. Art. 61 Wilg zegt dat het verschil in oppervlakte tussen de ingebrachte en toegedeelde kavels in geld wordt verrekend. Dat sluit niet uit dat ook een verschil in hoedanigheid en gebruiksbestemming tot een zodanige verrekening kan leiden. Wat betreft art. 26 lid 2 Bilg licht het middel niet toe waaruit volgt dat die bepaling een limitatieve opsomming zou bevatten. Mijns inziens bestaat voor die lezing geen goede grond. Ook de nota van toelichting bij de regeling dwingt tot die lezing niet. Ik wijs verder op het onder 2.9 besproken art. 19 Bilg, dat met zoveel woorden voorziet in geldelijke verrekening van kwaliteitsverschillen. Zou die verrekening niet verlopen via de LGR omdat, zoals het subonderdeel veronderstelt, de opsomming van art. 26 lid 2 Bilg limitatief is, dan zou dat leiden tot een onbegrijpelijk stelsel van verrekeningen zowel via de LGR als naast de LGR. Dit pleit dus krachtig tegen de lezing volgens welke art. 26 lid 2 Bilg een limitatieve opsomming van verrekenposten bevat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eaea8ba343a4220b40f3752ed969450989a7fe1850c523fe1c93aa6c8de7a06b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eaea8ba343a4220b40f3752ed969450989a7fe1850c523fe1c93aa6c8de7a06b, en de alinea staat in dat document op bytes 76525 tot 77937.