Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 april 2018

Onder 4.53 Parket bij de Hoge Raad 6 april 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:396.

Bij de beoordeling van deze laatste klacht benadruk ik nogmaals (zie hiervóór, onder 4.2) dat het ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv aan de koper is om te stellen en, zo nodig, te bewijzen wat hij op grond van de overeenkomst van de zaak mocht verwachten en dat de afgeleverde zaak niet aan deze verwachtingen beantwoordt. Tegen deze achtergrond ligt het falen van de klacht reeds besloten in mijn beoordeling van de eerste klacht van subonderdeel 2.4.2 (hiervóór, onder 4.50). Het hof heeft in rov. 3.9.3 (laatste alinea) geoordeeld dat [eisers] de door hen ter zake van het schilderwerk gestelde verwachtingen niet zonder meer mochten koesteren. Na de stellingen van [eisers] op dit punt aldus te hebben verworpen, behoefde het hof - mede gelet op de stelplicht en bewijslastverdeling - niet óók nog vast te stellen wat [eisers] wat betreft het schilderwerk dan wél mochten verwachten, om deze verwachtingen dan vervolgens te toetsen aan de werkelijke eigenschappen van het schilderwerk. Nu de derde klacht van een andere opvatting uitgaat, ligt ook deze klacht voor afwijzing gereed.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08e1568cd8758f68e1a8d2616720e9285f388f2a309cde6cfed80e67d9e0d2ee. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08e1568cd8758f68e1a8d2616720e9285f388f2a309cde6cfed80e67d9e0d2ee, en de alinea staat in dat document op bytes 92241 tot 93352.