Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 april 2018
Onder 3.12 Parket bij de Hoge Raad 6 april 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:399.
Duidelijk is dat de rechter bij afwijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor wegens het kansloos zijn van de vordering in de hoofdzaak, grote terughoudendheid moet betrachten. Anders handelt hij in strijd met het uitgangspunt dat de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering niet ter toetsing voorligt. Groot stelt in dit verband als criterium voor dat het verzoek kan worden afgewezen ‘ als bij oppervlakkige beoordeling van de vordering in de hoofdzaak kan worden aangenomen dat de vordering in de hoofdzaak hoogstwaarschijnlijk zal worden afgewezen’ . Toepassing van dit criterium leidt er volgens haar toe dat een verzoek, dat niet kansloos is maar wel kansarm, wél dient te worden toegewezen. Naar mijn mening legt dit criterium de lat nog te hoog. Volgens mij zou het evident moeten zijn dat de vordering in de hoofdzaak niet kan slagen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2f58ce9177d823b31ae38ab0b08b0bf5f2672978ef49e798cef54c9aba0505e9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2f58ce9177d823b31ae38ab0b08b0bf5f2672978ef49e798cef54c9aba0505e9, en de alinea staat in dat document op bytes 22440 tot 23599.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2f58ce9177d823b31ae38ab0b08b0bf5f2672978ef49e798cef54c9aba0505e9 | shasum -a 256