Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 april 2018

Onder 2.27 Parket bij de Hoge Raad 13 april 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:407.

Wat het hof in het voorliggende geval wél heeft gedaan - net als de rechtbank had gedaan in de erfrechtelijke zaak van HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:911, NJ 2014/127 m.nt. S. Perrick – is toepassing geven aan de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (vgl. art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW). Deze werking kan zich ook in de onderhavige verhoudingen doen gevoelen (al dan niet via art. 6:216 BW) : beperking van de rechtsgevolgen van een rechtshandeling door (de derogerende werking van de) redelijkheid en billijkheid kunnen – naar gelang de aard van de rechtshandeling in meer of mindere mate – bij alle rechtshandelingen een rol spelen, en behoort in evident ongerechtvaardigde gevallen tot de bevoegdheden van de rechter. Deze weg heeft over het algemeen ook mijn voorkeur boven de uitleg van de erfstelling of begunstiging. Het gaat in de hier aan de orde zijnde gevallen immers veelal om een later ontstane, onvoorziene situatie ten aanzien waarvan de erflater of verzekeringnemer zijn wil destijds niet heeft bepaald. Als we ervan uitgaan dat het bij de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen en begunstigingen gaat om het achterhalen van de wil van de erflater of verzekeringnemer ten tijde van het testeren of aanwijzen van de begunstigde , dan rijst de vraag of de figuur van de uitleg wel de aangewezen weg is om met deze niet door de erflater of verzekeringnemer voorziene, gewijzigde omstandigheden om te gaan. Op basis van een uitleg zoals die hierboven werd beschreven zou dan wel kunnen worden bepaald wie dan wel bedoeld zou zijn om erfgenaam of begunstigde te zijn, maar zoals gezegd, heeft de erflater of verzekeringnemer aan de gewijzigde situatie nu juist ten tijde van zijn beschikking niet gedacht. Men kan moeilijk een wil of bedoeling ten aanzien van een bepaalde situatie gaan uitleggen , als die wil of bedoeling ontbreekt. Dan acht ik uitleg niet zo op zijn plaats. Uitleg komt dan gevaarlijk dicht in de buurt van aanvulling , waarvoor – in ieder geval in het erfrecht – in beginsel geen plaats is (zie art. 4:47 BW). In feite wordt het testament of de begunstiging bij de uitleg dan immers aangevuld met een ontbindende voorwaarde – van verbreking van de samenleving of het aangaan van een (nieuw) huwelijk of (nieuwe) relatie – die misschien wel achteraf door de erflater zou zijn gewild , maar in ieder geval niet op het moment van testeren of aanwijzen van de begunstigde (bewust) zo is gemaakt of bedoeld. Strikt genomen wordt dus niet het testament of de begunstiging uitgelegd zoals dat/die is gemaakt , maar wordt de (vermoedelijke) bedoeling van de erflater vastgesteld nadat de later optredende omstandigheden zich hebben voorgedaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/63f7b87a9ef4d2a82ed711937d83688db21e17139648aa286c97975327f49475. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 63f7b87a9ef4d2a82ed711937d83688db21e17139648aa286c97975327f49475, en de alinea staat in dat document op bytes 80113 tot 83428.