Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 april 2018

Onder 3.21 Parket bij de Hoge Raad 13 april 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:410.

De eerste vraag die moet worden beantwoord is of het hof in het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de periodieke loonsverhoging volgens de CAO-Houthandel voor de boven-cao-werknemers als een arbeidsvoorwaarde moet worden gekwalificeerd. Het arrest is daar niet heel duidelijk over. Eerst overweegt het hof dat “ deze jaarlijkse of periodieke loonsverhogingen aldus al zeer lange tijd plaatsvonden” (rov. 3.11). Vervolgens oordeelt het hof dat relevant is dat bij de overgrote meerderheid van de boven-cao-werknemers in hun arbeidsovereenkomst geen melding is gemaakt van de CAO-Houthandel en daarmee ook niet van de CAO-verhogingen (rov. 3.12). Daarna wordt overwogen: “ Wanneer vervolgens, zonder dat daarover iets is afgesproken, en dus in zekere zin: ongevraagd, jaarlijkse of periodieke salarisverhogingen door de werkgever worden toegekend, dan zal dat, op een bepaald moment, en in toenemende mate, bij werknemers verwachtingen scheppen .” Daaraan wordt echter direct toegevoegd: “ Die verwachtingen, ook wanneer zij lange tijd gekoesterd zijn, leiden echter niet zonder meer tot een recht op een dergelijke toekenning. Daarvoor zijn nadere omstandigheden nodig, die echter niet zijn gesteld of gebleken ” (rov. 3.12). Er is dus wél sprake van bij werknemers (gedurende lange of zeer lange tijd) gewekte verwachtingen, maar deze leiden niet tot een verworven recht omdat geen nadere omstandigheden zijn gesteld of gebleken. Hiermee lijkt het doek dan gevallen voor het bestaan van ‘verworven rechten’. Maar in rov. 3.13 – waar het hof nagaat of Pontmeyer als goed werkgever kon stoppen met de CAO-loonsverhogingen voor de boven-cao-werknemers, spreekt het hof over “ de jarenlang bestaande hebbende gewoonte van Pontmeyer tot verhoging van het loon van de boven-cao-werknemers” . Hieruit zou men dan kunnen afleiden dat in de opvatting van het hof toch sprake is van een gewoonte in de zin van art. 6:248 lid 1 BW en daarmee, wellicht, van een verworven recht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/67d334c46194a9e2a9c871091a2aec1ea8c95382a08ab5c9237df956a20aca6b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 67d334c46194a9e2a9c871091a2aec1ea8c95382a08ab5c9237df956a20aca6b, en de alinea staat in dat document op bytes 52161 tot 54299.