Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 april 2018

Onder 3.18 Parket bij de Hoge Raad 13 april 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:410.

De vraag is wie die bijkomende omstandigheden moet stellen en bewijzen. Volgens Jellinghaus en Zondag zou dat in eerste instantie de werknemer moeten zijn, maar na het verstrijken van een bepaalde periode de werkgever. Die zou dan moeten bewijzen dat géén sprake is van een verworven recht. Jellinghaus heeft dit in zijn proefschrift uit 2003 ook verdedigd. Hij betoogde daar dat na het verloop van een termijn van vijf jaar waarin een bepaald voordeel aan de werknemer is verstrekt, zou moeten worden uitgegaan van een omkering van de regels van bewijslastverdeling. Het is dan aan de werkgever om te bewijzen dat het verstrekte voordeel (i) onverplicht heeft plaatsgevonden en (ii) hij dit kenbaar heeft gemaakt aan de werknemer. Jellinghaus stelde de volgende regeling voor:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/67d334c46194a9e2a9c871091a2aec1ea8c95382a08ab5c9237df956a20aca6b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 67d334c46194a9e2a9c871091a2aec1ea8c95382a08ab5c9237df956a20aca6b, en de alinea staat in dat document op bytes 47280 tot 48200.