Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 april 2018
Onder 4.11 Parket bij de Hoge Raad 19 april 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:427.
Deze personen - in onderdeel a de bestuurder (waaronder ingevolge het tweede lid wordt begrepen de volledig aansprakelijke vennoot van een maat- of vennootschap), in onderdeel b de leider van de vaste inrichting of de vaste vertegenwoordiger en in onderdeel c de vereffenaar - zullen veelal natuurlijke personen zijn en als zodanig worden aangesproken. Wanneer echter lichamen of rechtspersonen bestuurders van het ingebreke zijnde lichaam zouden zijn, kunnen die lichamen of rechtspersonen worden aangesproken, waarbij zo nodig - bij voorbeeld ingeval een vennootschap als bestuurder of een maatschap als vaste vertegenwoordiger optreedt - de personen achter die lichamen, in casu de bestuurders van de vennootschap en de vennoten van de maatschap, worden aangesproken op grond van het derde lid van artikel 34. Dat de bepalingen inzake hoofdelijke aansprakelijkheid in deze specifieke situaties niet meer zien op bepaalde, maar op alle rijksbelastingen die een lichaam als bedoeld in artikel 34 verschuldigd kan worden, vindt zijn oorzaak in het feit dat er naar onze mening, gegeven de invloed die de betrokken personen op de betaling van de belastingschulden (hadden) kunnen uitoefenen, geen goede gronden zijn aan te voeren om de hoofdelijke aansprakelijkheid in deze gevallen tot enkele rijksbelastingen te beperken. Overigens zal de uitbreiding in de praktijk geen grote gevolgen hebben daar de bepalingen voor twee belangrijke belastingen - de loon- en de vennootschapsbelasting - thans reeds gelden. Voor alle duidelijkheid zij hierbij nog opgemerkt dat het hier uitsluitend gaat om rijksbelastingen verschuldigd door het lichaam. Indien het bij voorbeeld in een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, zou gaan om een maat- of vennootschap, zijn de volledig aansprakelijke vennoten wel aansprakelijk voor door die maat- of vennootschap verschuldigde rijksbelastingen, maar uiteraard niet voor elkaars persoonlijke belastingschulden, zoals bij voorbeeld de door een vennoot verschuldigde inkomstenbelasting. Opgemerkt zij nog dat aan de aansprakelijkheid van de vereffenaar in onderdeel c van het eerste lid nog enkele beperkingen worden aangebracht: in de eerste plaats moet de ontvanger aannemelijk maken dat het niet betalen van de belastingschuld is te wijten aan onbehoorlijk bestuur van de vereffenaar en in de tweede plaats kan de aansprakelijkstelling slechts plaatsvinden in de periode van drie jaren na de ontbinding van het bewuste lichaam. (…) Het vierde lid bevat voor degene die op de voet van het eerste lid onderdelen a en b hoofdelijk aansprakelijk is gesteld een disculpatiemogelijkheid. Voor zover met betrekking tot een belastingschuld van een lichaam wordt bewezen dat de aansprakelijk gestelde persoon geen verwijt kan worden gemaakt voor het niet voldoen van die schuld, vervalt voor die persoon de aansprakelijkheid. Wij zijn van oordeel dat de redelijkheid meebrengt dat deze disculpatiemogelijkheid - die in de thans bestaande bepalingen niet altijd is opgenomen - in de hier bedoelde situaties moet bestaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e27e7d554b8679f9bb2e7a4174fe553ba2ce9e4b4f7f0a4df8ffd555bd70b44d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e27e7d554b8679f9bb2e7a4174fe553ba2ce9e4b4f7f0a4df8ffd555bd70b44d, en de alinea staat in dat document op bytes 70096 tot 73164.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e27e7d554b8679f9bb2e7a4174fe553ba2ce9e4b4f7f0a4df8ffd555bd70b44d | shasum -a 256