Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 april 2018

Onder 2.5 Parket bij de Hoge Raad 20 april 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:431.

Onderdeel 2.1.1 is gericht tegen het oordeel dat de opening van een gerechtelijk vooronderzoek impliceerde dat de vraag of op dat moment een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond, door de rechter-commissaris is beoordeeld en bevestigend is beantwoord (rov. 10). Volgens het hof verzet het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zich in beginsel ertegen dat de burgerlijke rechter zich achteraf opnieuw over dezelfde vraag buigt als de strafrechter. Het middelonderdeel klaagt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken niet eraan in de weg staat dat de burgerlijke rechter zelfstandig zijn oordeel geeft over de vraag of ten tijde van het strafvorderlijk optreden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als bedoeld in art. 27 Sv aanwezig was. Volgens eisers is hier van belang dat de beslissing van de rechter-commissaris was gebaseerd op een dossier dat door het openbaar ministerie is samengesteld. Verder wordt ter toelichting op deze klacht aangevoerd dat de procedure tot het openen van een gerechtelijk vooronderzoek zich niet leent voor uitgebreid onderzoek naar de feiten; in die fase vindt geen hoor en wederhoor plaats. Indien de burgerlijke rechter niet achteraf zou kunnen toetsen of van meet af aan een redelijk vermoeden van schuld aanwezig was, is dat volgens de klacht in strijd met het door art. 6 lid 1 EVRM beschermde recht van eisers op toegang tot de rechter .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/05a5f487947dc0bce11a755ce52a53177d2b59ecd997e9672d00231be0dc39de. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 05a5f487947dc0bce11a755ce52a53177d2b59ecd997e9672d00231be0dc39de, en de alinea staat in dat document op bytes 24312 tot 25884.