Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2018

Onder 3.21 Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:45.

De zorgaanbieder is echter slechts beperkt verplicht de patiënt in te lichten over incidenten- of calamiteitenmeldingen en de resultaten van onderzoek dat naar aanleiding daarvan is gedaan. Vóór de invoering van de Wkkgz was uitgangspunt in de jurisprudentie dat de inhoud van een MIP-melding, behoudens het feitenrelaas, niet aan de patiënt werd verstrekt om hulpverleners er niet van te weerhouden incidenten intern te melden (veilig melden). Nieuw in de Wkkgz is art. 10 lid 3, dat inhoudt dat de zorgaanbieder de cliënt dient in te lichten over de aard en toedracht van incidenten (dus ook calamiteiten) bij de zorgverlening en daarvan een aantekening dient te maken in het dossier van de patiënt. Dit geldt overigens alleen voor incidenten die voor de patiënt merkbare gevolgen hebben of kunnen hebben. Zeer relevant is echter dat art. 9 lid 6 Wkkgz bepaalt dat gegevens uit het interne MIP-register niet in een civielrechtelijke, strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke procedure als bewijs kunnen worden gebruikt. Ook dit heeft alles te maken met ‘veilig melden’; doel is juist de bevordering van de kwaliteit in het algemeen. Verder blijkt uit de toelichting dat het recht op informatie van de patiënt zich niet uitstrekt tot de analyse van de diepere oorzaken en andere gegevens die worden vergaard in het kader van kwaliteitsbewaking. Voor de calamiteitenrapportage aan de IGZ van art. 11 Wkkgz geldt het uitgangspunt van ‘veilig melden’ niet (volledig): zo kan de IGZ bijvoorbeeld een tuchtprocedure beginnen naar aanleiding van een calamiteitenrapportage. De zorgaanbieder is echter niet wettelijk verplicht om de integrale rapportage met de patiënt te delen. Legemaate wijst in dit verband wel op de verplichting van art. 10 lid 3 Wkkgz: de rapportage dient te worden verstrekt voor zover die zicht biedt op de omstandigheden van de calamiteit, de in het onderzoek gevonden oorzaken en de naar aanleiding daarvan getroffen verbetermaatregelen. Namen van medewerkers hoeven evenwel niet in het rapport te worden vermeld en evenmin hoeven volgens Legemaate de onderliggende stukken, zoals gespreksverslagen, te worden verstrekt, omdat dat zou kunnen leiden tot een afname van de bereidheid om mee te werken aan calamiteitenonderzoeken. Benadrukt dient te worden dat de Wkkgz en daarmee de verplichting van art. 10 lid 3 ten tijde van de feiten in de onderhavige zaak nog niet gold en daarom in deze zaak niet (rechtstreeks) toepasselijk is. Wilken merkt in dit verband in haar annotatie bij het onderhavige arrest van het hof op dat er weliswaar sinds 2016 op grond van de Wkkgz een mededelingsplicht met betrekking tot de aard en toedracht van incidenten op de hulpverlener rust, maar dat deze (wettelijke) plicht en de aanvullende normen betreffende de openheid na incidenten zoals opgenomen in de GOMA ten tijde van het onderhavige incident in 2005 nog niet golden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b399d1fc97aaff9b318be7366a4cfcd052a5f0a27544ac2bf50c5c8e79cf4700. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b399d1fc97aaff9b318be7366a4cfcd052a5f0a27544ac2bf50c5c8e79cf4700, en de alinea staat in dat document op bytes 92519 tot 95958.