Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2018

Onder 4.12 Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:46.

Onder het oude arbeidsrecht kon de werknemer op grond van art. 7:681 BW (oud) schadevergoeding van de werkgever vorderen wegens kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst. In art. 7:681 lid 2 BW (oud) was bepaald dat van een kennelijk onredelijke opzegging onder meer sprake was wanneer (sub a) deze geschiedde zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden, of (sub b) wanneer de gevolgen van de opzegging voor de werknemer, mede in aanmerking genomen de voor de hem getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, te ernstig waren in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging (het zogenoemde ‘gevolgencriterium’). Van een kennelijk onredelijke opzegging kon ook sprake zijn wanneer de werkgever van het UWV een ontslagvergunning had om de werknemer te ontslaan. Zoals bekend is onder de Wwz de vergoeding wegens een kennelijk onredelijk opzegging vervallen. Deze vergoeding is vervangen door de transitievergoeding en, in bijzondere gevallen, de billijke vergoeding.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/91db5ee2754b31ef5551f7472fc0dfc904a4b42430a615ad6c71764f6538758c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 91db5ee2754b31ef5551f7472fc0dfc904a4b42430a615ad6c71764f6538758c, en de alinea staat in dat document op bytes 36249 tot 37414.