Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2018

Onder 2.2 Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:462.

Bij de bespreking van de incidentele vordering stel ik het volgende voorop. In art. 233 lid 3 Rv is bepaald dat de rechter aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde kan verbinden dat tot een door hem te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld. Indien het vonnis (in eerste aanleg) uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, evenwel zonder dat daaraan de voorwaarde is verbonden dat zekerheid wordt gesteld, en indien tegen dat vonnis een rechtsmiddel is aangewend, kan op de voet van art. 235 Rv alsnog een daartoe strekkende incidentele vordering worden ingesteld. De incidentele vordering kan zowel worden ingesteld in het geval dat een partij zelf verzuimd heeft te vorderen dat zekerheid wordt gesteld, als in het geval dat de rechter de gevorderde zekerheidstelling heeft afgewezen. Deze bepalingen zijn in cassatie op grond van art. 418a Rv van overeenkomstige toepassing.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/20f7330e635fecf68b2988790b0e891085e194d37997cb7d1738ae0beaa8b88f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 20f7330e635fecf68b2988790b0e891085e194d37997cb7d1738ae0beaa8b88f, en de alinea staat in dat document op bytes 10981 tot 11945.