Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 april 2018

Onder 3.4 Parket bij de Hoge Raad 26 april 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:468.

Belanghebbende stelt dat het, afgezien van de door het Hof vastgestelde bewijslastverdeling, van een onjuiste wetstoepassing getuigt om een navorderingsaanslag in stand te laten die berust op in het geheel niet geconcretiseerde “door belanghebbende in 2007 genoten, niet in zijn aangifte IB/PVV verantwoorde, inkomsten uit werk en woning”. Allereerst zou niet kunnen worden getoetst of sprake is van een bron van inkomen, laat staan of die inkomsten terecht in box 1 worden belast. Voorts zou niet kunnen worden nagegaan of de inkomsten terecht in het onderhavige jaar zijn belast. Ook zou de stelling dat belanghebbende inkomsten heeft genoten niet onderbouwd zijn, waarmee de uitspraak onvoldoende is gemotiveerd. Tot slot zou niet kunnen worden getoetst of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 16 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/601c8d2df79bfd71a9d644967b34423f94e4a99d36bcc2ecba91c168e759fa2d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 601c8d2df79bfd71a9d644967b34423f94e4a99d36bcc2ecba91c168e759fa2d, en de alinea staat in dat document op bytes 63902 tot 64775.