Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 april 2018

Onder 5.4 Parket bij de Hoge Raad 24 april 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:470.

“We hebben de laatste tijd vaker gezien dat door rechters wordt geoordeeld dat geen sprake is van huur, ook al staat vast dat er meer wordt betaald dan een vergoeding voor gemaakte kosten (zie bijvoorbeeld mijn noten onder WR 2016/80 en WR 2017/56). De bedoeling van partijen, zoals die uit de bewoordingen van de overeenkomst blijkt, speelt bij de kwalificatievraag bruikleen-huur geregeld een belangrijker rol dan de definitie van huur in art. 7:201 BW. A-G Wattel gaf steun aan deze ontwikkeling door op 20 september 2016 (ECLI:NL:PHR:2016:970) onder verwijzing naar het Timeshare-arrest ( WR 2011/58) te concluderen dat bij de vraag of het om huur gaat, kort gezegd, beoordeeld moet worden of het de bedoeling van partijen was dat de bewoner een reële vergoeding zou betalen die uitsluitend verband houdt met het gebruik van de woning. Het hof had deze toets niet toegepast en was daarom volgens de A-G ten onrechte tot de conclusie gekomen dat het gebruik van een hofjeswoning tegen betaling van € 57 per maand een huurovereenkomst oplevert. De Hoge Raad volgt de A-G echter niet (HR 23 juni 2017, WR 2017/117) en oordeelt dat het hof terecht een huurovereenkomst heeft aangenomen nu vaststaat dat de maandelijkse betalingsverplichting

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01caef437b5b327071c4e9de231082dc305f4192dc873e81a8832c850849c289. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01caef437b5b327071c4e9de231082dc305f4192dc873e81a8832c850849c289, en de alinea staat in dat document op bytes 69307 tot 70705.