Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 april 2018

Onder 6.8 Parket bij de Hoge Raad 24 april 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:470.

“Bij de uitvoering van stadssaneringen wordt de eigendom van woonhuizen die voor nieuwbouw moeten plaats maken, door minnelijke aankoop of door onteigening verkregen. Geschiedt de eigendomsverklaring in der minne en is het pand verhuurd, dan moet de gemeente vervolgens trachten het pand ontruimd te krijgen. Bij onteigening eindigt de huur door de overschrijving van het onteigeningsvonnis in de openbare registers. In beide gevallen moet voor de bewoners een nieuw onderdak worden gevonden. Daarmede kan soms een geruime tijd gemoeid zijn. Het gevolg kan zijn dat bij een complex sommige woningen, nadat de bewoning geëindigd is, geruime tijd leeg staan, terwijl andere woningen in datzelfde complex nog bewoond zijn. De omstandigheid dat woningen die nog tijdelijk bewoond zouden kunnen worden leeg blijven staan, heeft herhaaldelijk kritiek uitgelokt. Voor deze leegstand zijn op zich zelf wel redenen aan te voeren. Het is te begrijpen dat de gemeentebesturen, die meestal met veel moeite de bewoners een andere woning verschaft hebben, ertegen opzien deze woningen nog tijdelijk te verhuren. Immers, tijdelijke verhuur kan tot gevolg hebben dat nieuwe moeilijkheden ontstaan wanneer deze verhuur beëindigd moet worden, wanneer op dat moment aan de tijdelijke huurders geen andere woonruimte kan worden aangeboden. Voorts bestaat de beduchtheid dat de tijdelijke huurders een beroep op huurbescherming krachtens de Huurwet zouden kunnen doen. Hierdoor zou dan een procedure nodig kunnen worden om de ontruiming te bewerkstelligen. Het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de heer Wiebenga heeft bij de behandeling van de Justitiebegroting op 26 oktober 1971 (Handelingen, blz. 563) de suggestie gedaan een soort vergunningen en registratiestelsel te creëren met het oog op mensen voor wie enige beweeglijkheid in de huisvesting geen bezwaar is. Ook de ondergetekenden achten de mogelijkheid aanwezig dat tijdelijke verhuur van voor afbraak bestemde panden belemmerd wordt door de vrees dat de woning dan bij het einde van de huur niet goedschiks ontruimd zal worden. Het lijkt hun daarom van belang de mogelijkheid te scheppen dat voor afbraak bestemde panden tijdelijk verhuurd kunnen worden, zonder dat bij het einde van de huur een beroep op de rechter mogelijk is om huurbescherming of verlenging van huurovereenkomst te verkrijgen. Het wetsontwerp bevat daartoe strekkende wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek en van de Huurwet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01caef437b5b327071c4e9de231082dc305f4192dc873e81a8832c850849c289. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01caef437b5b327071c4e9de231082dc305f4192dc873e81a8832c850849c289, en de alinea staat in dat document op bytes 89527 tot 91992.