Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2018
Onder 2.9 Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:498.
Wanneer een werknemer niet instemt met een door de werkgever voorgenomen opzegging van de arbeidsovereenkomst, behoeft de werkgever voor opzegging op de grond genoemd in art. 7:669, lid 3 onder a, BW de toestemming van het UWV. Indien het UWV toestemming weigert – zoals in deze zaak het geval is –, kan de werkgever zich tot de rechter wenden met een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (zie art. 7:671b, lid 1 onder b, BW) . In de toelichting op het wetsvoorstel Wet werk en zekerheid (Wwz) is gesteld dat wat betreft de gronden in het derde lid van art. 7:669 BW, aansluiting is gezocht bij het (vroegere) Ontslagbesluit . Art. 4:1 Ontslagbesluit bracht met zich dat een werkgever die zich beroept op redenen van bedrijfseconomische aard, aannemelijk moet maken dat op grond daarvan een of meer arbeidsplaatsen dienen te vervallen. De artikelen 4:1 – 4:4 regelden de volgorde waarin werknemers op deze grond voor een ontslag in aanmerking konden worden gebracht. De wijze waarop het UWV het Ontslagbesluit toepaste was beschreven in de Beleidsregels ontslagtaak UWV .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5ecae7f825b693e3782beec142a90c6a03bf354bca1a2509439b73894ec8f95a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5ecae7f825b693e3782beec142a90c6a03bf354bca1a2509439b73894ec8f95a, en de alinea staat in dat document op bytes 19198 tot 20555.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5ecae7f825b693e3782beec142a90c6a03bf354bca1a2509439b73894ec8f95a | shasum -a 256