Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2018

Onder 2 Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:512.

21. Tussen beide gevallen bestaat echter ook een significant verschil. Het eerste geval vergt van de rechter op wie het verzoek om wraking betrekking heeft een inhoudelijke beoordeling van hetgeen aan het wrakingsverzoek ten grondslag is gelegd. De rechter zal immers eerst zelf moeten beoordelen of “ feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan verzoeker bekend zijn geworden ”. Dit betreft een beoordeling van het moment waarop de ter wraking voorgedragen feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. De rechter op wie het verzoek om wraking betrekking heeft, wordt hier niet geroepen te beoordelen of die feiten en omstandigheden afdoende redenen zijn om het verzoek om wraking toe te wijzen. Bij het tweede in de wet voorziene geval, als bedoeld in artikel 515, vierde lid, Sv, is zelfs een dergelijke (‘temporele’) beoordeling van de gronden van het verzoek om wraking niet aan de orde. In die situatie heeft het gerecht namelijk al beslist dat zich een geval van misbruik heeft voorgedaan. De feiten en omstandigheden die aan het wrakingsverzoek ten grondslag zijn gelegd, worden in dat geval noch door de wrakingsrechter, noch door de gewraakte rechter beoordeeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea5d5cd29ce2e56400674367b78575db6594f02653dc266cc07a453ec9c917f0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea5d5cd29ce2e56400674367b78575db6594f02653dc266cc07a453ec9c917f0, en de alinea staat in dat document op bytes 24650 tot 25965.