Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 mei 2018

Onder 3.5 Parket bij de Hoge Raad 25 mei 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:521.

De tweede geciteerde overweging maakt allereerst duidelijk dat geen sprake is van een strekkingsbeperking als de mededinging niet “ in voldoende mate ” wordt verstoord. In dat geval moeten de gevolgen van de overeenkomst voor de mededinging worden onderzocht en valt de overeenkomst slechts onder het verbod van art. 101 lid 1 VWEU als kan worden aangetoond dat alle factoren aanwezig zijn waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst. Dat laatste is per definitie ingewikkeld, wat kan verklaren waarom het zowel voor een mededingingsautoriteit als voor de eiser in een civiele procedure tot handhaving van art. 101 lid 1 VWEU / art. 6 lid 1 Mw aantrekkelijker is om te gaan liggen voor het anker van het strekkingsbeding. Ook de rechter is sneller klaar als hij kan vaststellen dat een bepaling ertoe strekt de mededinging te beperken. Het praktisch belang van het onderscheid tussen strekkingsbeperkingen en gevolgbeperkingen zit hem dus vooral in de bewijsvoering. Bovendien wordt een strekkingsbeding geacht de mededinging merkbaar te beperken, zodat de rechter zich ook die toets bespaart.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c1715dd6c44db07df616427ba5dd25858b8ff789a2c51ee2bb687f782e485861. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c1715dd6c44db07df616427ba5dd25858b8ff789a2c51ee2bb687f782e485861, en de alinea staat in dat document op bytes 44221 tot 45674.