Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 mei 2018

Onder 5.30 Parket bij de Hoge Raad 25 mei 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:521.

Ten aanzien van de stelling onder i. geldt daarbij bovendien, zoals het hof in rov. 11 ook overweegt (in cassatie onbestreden), dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een strekkingsbeperking weliswaar rekening mag houden met de bedoelingen van partijen, doch niet gehouden is deze bedoelingen in aanmerking te nemen. Dat werkt twee kanten op: legitieme bedoelingen sluiten de kwalificatie ‘strekkingsbeperking’ niet uit, omgekeerd vormt de aantoonbare bedoeling de concurrentie te beperken niet zonder meer voldoende bewijs van een strekkingsbeperking, bijvoorbeeld als de betrokken afspraak daarvoor ongeschikt is. De bedoelingen van partijen vormen aldus een noodzakelijke noch een voldoende voorwaarde voor het aannemen van een strekkingsbeperking. De onder i. genoemde stelling is in zoverre ook niet een essentiële stelling.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c1715dd6c44db07df616427ba5dd25858b8ff789a2c51ee2bb687f782e485861. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c1715dd6c44db07df616427ba5dd25858b8ff789a2c51ee2bb687f782e485861, en de alinea staat in dat document op bytes 99960 tot 101016.