Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 juni 2018

Onder 3.32. Parket bij de Hoge Raad 1 juni 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:578.

Bij de behandeling van deze klachten stel ik het volgende voorop. De door onderdeel 3 aangevallen rechtsoverwegingen houden verband met de vraag of het beroep op onverschuldigde betaling van Imeko naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De lat voor het aannemen van onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ligt hoog, omdat het door de wetgever gehanteerde strenge uitgangspunt dat niet een ander orgaan dan de AV over de bezoldiging van commissarissen kan besluiten anders te zeer zou worden ondergraven (nr. 3.2-3.4). Voor een geslaagd beroep op onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 2:8 lid 2 BW en/of artikel 6:248 lid 2 BW is vereist dat de AV, het orgaan dat rechtsgeldig over de bezoldiging van commissarissen kan besluiten (nr. 3.8), bekend was met het bestaan en de hoogte van de toegekende bezoldiging en daarmee heeft ingestemd. Bij de vraag of Imeko bekend was met de door [eiser] gedeclareerde vergoedingen gaat het dus om kennis of wetenschap van de AV als orgaan. Katan merkt in dit verband in haar proefschrift op:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cb3a913692b41442d4b8214c0b4813c50f278263197a3ca872c4e8c8382c4f35. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cb3a913692b41442d4b8214c0b4813c50f278263197a3ca872c4e8c8382c4f35, en de alinea staat in dat document op bytes 73591 tot 74804.