Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 juni 2018

Onder 3.11. Parket bij de Hoge Raad 1 juni 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:578.

Ik zie overigens ook niet in dat in het door Salemink geschetste geval sprake zou zijn van een vennootschapsrechtelijke lacune. Als niet duidelijk zou zijn bij welk orgaan de bevoegdheid tot bezoldiging van de tijdelijke bestuurder ligt, ligt het mijns inziens niet zonder meer voor de hand dat degene die de tijdelijke bestuurder heeft aangewezen – in zijn casus is dat de RvC – ook diens bezoldiging vaststelt. De wetgever heeft het bestaan van een bevoegdheidslacune immers ondervangen door artikel 2:107 lid 1 BW, waarin de restbevoegdheid – alle bevoegdheid die niet in de wet of statuten aan het bestuur of aan anderen is toegekend – aan de AV behoort. De door Salemink voorgestane benadering waarin een commissaris tijdelijk bestuurstaken verricht en de bezoldiging voor die tijdelijke bestuurstaken wordt toegekend door de RvC komt neer op directoral self-compensation . Dat is niet in overeenstemming met ons vennootschapsrecht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cb3a913692b41442d4b8214c0b4813c50f278263197a3ca872c4e8c8382c4f35. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cb3a913692b41442d4b8214c0b4813c50f278263197a3ca872c4e8c8382c4f35, en de alinea staat in dat document op bytes 42701 tot 43694.