Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2018

Onder 3.13 Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:581.

Dit verdient in zoverre relativering dat aard en inhoud van de vordering bepalend zijn voor de vraag welke ‘bril’ de rechter, of het nu de rechter in eerste aanleg of in hoger beroep betreft maakt daarbij geen verschil, opzet bij het beoordelen van de zaak. Ziet de vordering op het verleden (zoals bij een schadevergoedingsvordering ter zake van wanprestatie of onrechtmatige daad bijvoorbeeld) of juist op de toekomst (zoals een tot het opleggen van een verbod of bevel strekkende vordering bijvoorbeeld)? In het eerste geval dient naar de normen van destijds en de toenmalige omstandigheden van het geval te worden geoordeeld. Latere feiten of omstandigheden zijn voor dat oordeel niet van belang. Dat geldt in appel dan uiteraard ook voor feiten en omstandigheden die zich na de uitspraak in eerste aanleg hebben voorgedaan. Wat in appel wel van belang kan zijn, is dat inmiddels sprake is van nieuwe kennis of inzichten over de normen van destijds of over de toenmalige feiten en omstandigheden. In het tweede geval dient steeds, zowel door de rechter in eerste aanleg als daarna door de appelrechter, te worden beslist naar de normen ten tijde van zijn beslissing en met inachtneming van de feiten en omstandigheden van dat moment. Voor de vraag welke bril een rechter bij beoordeling van de zaak van de zaak opzet, waarbij het opnieuw niet uitmaakt of het om de rechter in eerste aanleg gaat of om de appelrechter, is ook het onderscheid tussen een vordering die een declaratoire uitspraak beoogt en een die juist een constitutieve uitspraak wil uitlokken, relevant. Wanneer bijvoorbeeld een crediteur op basis van art. 6:267 lid 1 BW een ontbindingsverklaring heeft uitgebracht naar aanleiding van een (beweerde) wanprestatie van zijn wederpartij, kan ieder van partijen in een rechterlijke procedure een oordeel uitlokken over de vraag of deze ontbindingsverklaring de beoogde werking heeft gehad. Die beslissing geschiedt op basis van een beoordeling naar de feiten en omstandigheden ten tijde van het uitbrengen van de verklaring. Latere feiten en omstandigheden zijn daarbij niet relevant. In eerste aanleg niet en in hoger beroep evenmin. Wanneer echter terzake van diezelfde beweerde wanprestatie de rechter door de teleurgestelde partij wordt uitgenodigd de ontbinding uit te spreken (art. 6:267 lid 2 BW), beslist hij over de opportuniteit van ontbinding naar de feiten en omstandigheden ten tijde van zijn uitspraak. Niet uitgesloten is dan dat de appelrechter (mede) gelet op feiten en omstandigheden die zich na de uitspraak in eerste aanleg hebben voorgedaan tot een ander oordeel komt dan de rechter in eerste aanleg.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dfc393fa5cb7dcdfc7a3fbe07007b5b0261b9077154a7bfe985122b899fbb9f0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dfc393fa5cb7dcdfc7a3fbe07007b5b0261b9077154a7bfe985122b899fbb9f0, en de alinea staat in dat document op bytes 55707 tot 58362.