Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2018
Onder 3.36 Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:581.
Zoals aangegeven (randnummer 3.33) is de gerechtelijke erkentenis een handeling waaraan men eens en voor al, ook in een verdere instantie, is gebonden. Op grond van art. 154 lid 2 Rv kan de gerechtelijke erkentenis echter op twee gronden worden herroepen. Op een gerechtelijke erkentenis kan worden teruggekomen als aannemelijk is dat zij ofwel door een dwaling ofwel niet in vrijheid is afgelegd. De partij die de gerechtelijke erkentenis wil herroepen, heeft de stelplicht ter zake van de herroepingsgronden. Uit het woord ‘aannemelijk’ volgt dat met summier bewijs van de dwaling of het niet in vrijheid afleggen van de erkentenis genoegen kan worden genomen. Het gaat om een lichtere dan de gewone maatstaf voor bewijslevering. Hierbij dient bedacht te worden dat de herroeping meebrengt dat de erkentenis geen gevolg meer heeft. Dat betekent dat het bewijs van de stelling waarop de erkentenis betrekking had, alsnog geleverd moet worden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dfc393fa5cb7dcdfc7a3fbe07007b5b0261b9077154a7bfe985122b899fbb9f0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dfc393fa5cb7dcdfc7a3fbe07007b5b0261b9077154a7bfe985122b899fbb9f0, en de alinea staat in dat document op bytes 76030 tot 77118.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dfc393fa5cb7dcdfc7a3fbe07007b5b0261b9077154a7bfe985122b899fbb9f0 | shasum -a 256