Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2018
Onder 8.1 Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:615.
Art. 15(1)(b) Wet BRV is naar zijn tekst niet van toepassing op belanghebbendes geval. Hij is niet (de echtgenot van) een (klein-)kind, broer of zus van de ondernemer, noch zet hij zelf de onderneming in haar geheel voort. De ondernemer is het OZL, waarvan de belanghebbende niet verkrijgt, en het is het OZL dat de onderneming voortzet. De doorkijkarresten vestigen echter de regel dat ook indirecte verkrijging van onroerende zaken (van aandelen in een OZL; van fictieve onroerende zaken) is vrijgesteld als directe verkrijging ervan dat zou zijn geweest omdat de fictie ex art. 4(1)(a) juncto art. 10 Wet BRV slechts strekt tot verijdeling van overdrachtsbelastingontwijking door tussenschuiving van rechtspersonen, en er niet toe strekt een belastingplicht te scheppen die er niet zou zijn geweest als de onroerende za(a)k(en) zelf waren verkregen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4f0787a12c414b73f1e3432ce76b96273eb0dd5102924f09ccaadb0f0047e48c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4f0787a12c414b73f1e3432ce76b96273eb0dd5102924f09ccaadb0f0047e48c, en de alinea staat in dat document op bytes 90860 tot 91725.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4f0787a12c414b73f1e3432ce76b96273eb0dd5102924f09ccaadb0f0047e48c | shasum -a 256