Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2018

Onder 2.6 Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:615.

In geschil was of belanghebbendes verkrijging van de aandelen [B] Holding BV was vrijgesteld onder de bedrijfsopvolgingsvrijstelling ex art. 15(1)(b) Wet BRV, die ook ‘ouder-kind-broer-zusvrijstelling’ of ‘familievrijstelling’ genoemd wordt. Niet in geschil was de verschuldigde belasting als de vrijstelling niet van toepassing zou zijn. De belanghebbende heeft gewezen op uw arresten HR BNB 2011/219 en HR BNB 2007/167, waarin u de vrijstellingen ex art. 15(1)(a) Wet BRV (samenloop met omzetbelasting) en art. 15(1)(p) Wet BRV (monumenten) toepaste op verkrijgingen van fictieve onroerende zaken. Uit die arresten volgt dat de strekking van art. 4 Wet BRV is beperkt tot voorkoming van het ontgaan van overdrachtsbelasting door het tussen de overdrager en de verwerver schuiven van een rechtspersoon. De Inspecteur betoogde dat de vrijstelling voor bedrijfsopvolging alleen bedoeld is voor overdracht van eenmanszaken en personenvennootschapsparticipaties en dat de materiële onderneming voortgezet moet worden door de verkrijger. Blijkens het proces-verbaal van de zitting bestreed hij niet dat de tot het vermogen van [B] Holding BV en [C] BV behorende onroerende zaken dienstbaar waren aan een materiële onderneming.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4f0787a12c414b73f1e3432ce76b96273eb0dd5102924f09ccaadb0f0047e48c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4f0787a12c414b73f1e3432ce76b96273eb0dd5102924f09ccaadb0f0047e48c, en de alinea staat in dat document op bytes 20794 tot 22237.