Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 mei 2018

Onder 24 Parket bij de Hoge Raad 15 mei 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:677.

10. Het hof heeft ter onderbouwing van dat oordeel voorts overwogen dat in het strafdossier ‘in het geheel geen concrete aanwijzingen aanwezig zijn voor de mogelijke betrokkenheid van een ander of anderen’. En het hof acht het bovendien ‘hoogst onwaarschijnlijk dat een ander dan de verdachte de brand heeft gesticht’, met name gelet op het korte tijdsbestek waarin zowel de geweldshandeling als de brandstichting moeten zijn verricht. In de in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsoverweging voegt het daar nog aan toe dat het hof het ‘evident hoogst onwaarschijnlijk’ acht dat een ander dan de verdachte de brand zou hebben gesticht in de directe, zichtbare nabijheid van een weerloos lichaam. De steller van het middel richt zijn pijlen vooral op de tussen aanhalingstekens geplaatste overwegingen. Daarmee ziet de steller er naar het mij voorkomt aan voorbij dat deze overwegingen slechts aanvullend van aard zijn, naast de op de bewijsmiddelen gebaseerde vaststelling dat de verdachte de dader is van de geweldshandeling met de betonklinker en de vaststelling inzake het korte tijdsbestek. Daarbij zijn deze aanvullende vaststellingen, die van feitelijke aard zijn, geenszins onbegrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcc04ace01ec6368e8774a2a52979c92e283151491e25a44d16e16c443b35583. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcc04ace01ec6368e8774a2a52979c92e283151491e25a44d16e16c443b35583, en de alinea staat in dat document op bytes 78113 tot 79349.