Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 mei 2018
Onder 24 Parket bij de Hoge Raad 15 mei 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:677.
25. Ik wijs in dit verband nog op twee oudere arresten waarin vergelijkbare vragen speelden. In HR 14 juni 1960, NJ 1960/597 m.nt. Röling had het hof bewezen verklaard dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven had beroofd door deze opzettelijk met dat doel met een hamer tegen diens hoofd te slaan en vervolgens vanaf de tweede verdieping uit het raam te laten vallen. Uw Raad casseerde; de bewijsmiddelen zouden niets behelzen waaruit de rechter had kunnen afleiden dat de verdachte ook bij het uit het raam laten vallen van het slachtoffer had gehandeld met het opzet deze te doden. Uit de toelichting op het middel kan worden afgeleid dat de bewijsmiddelen in dit geval echter zelfs een aanwijzing in andere richting bevatten. Uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van de vrouw van het slachtoffer, tevens minnares van de verdachte, kon worden afgeleid dat de verdachte na de slagen tegen het hoofd had gezegd dat het slachtoffer dood was. Pas daarna had hij het slachtoffer uit het raam gegooid. Een dergelijke contra-indicatie bevatten de bewijsmiddelen in casu niet.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcc04ace01ec6368e8774a2a52979c92e283151491e25a44d16e16c443b35583. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcc04ace01ec6368e8774a2a52979c92e283151491e25a44d16e16c443b35583, en de alinea staat in dat document op bytes 91269 tot 92412.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dcc04ace01ec6368e8774a2a52979c92e283151491e25a44d16e16c443b35583 | shasum -a 256