Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 mei 2018

Onder 24 Parket bij de Hoge Raad 15 mei 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:677.

27. Ik merk daarbij nog op dat voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven beroven niet vereist is dat door de rechter wordt vastgesteld dat de verdachte de absolute zekerheid had dat hij het slachtoffer op deze wijze van het leven beroofde. Ook in het geval de verdachte in onzekerheid verkeert of het slachtoffer al dan niet is overleden, maar er zeker van is dat hij haar - indien zij nog leeft - van het leven berooft, kan de rechter tot een bewezenverklaring van doodslag of moord komen. Dat kan, in lijn met Röling in zijn noot onder NJ 1960/597, beargumenteerd worden op basis van de formulering van het voorwaardelijk opzet: er is sprake van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer (nog leeft en pas) door de brandstichting om het leven komt. De overwegingen van het hof kunnen, voor zover Uw Raad van oordeel is dat de bewijsmiddelen de mogelijkheid open laten dat de verdachte in onzekerheid verkeerde of het slachtoffer al voor de brand om het leven was gekomen, in aansluiting op het voorgaande worden gelezen. De verdachte heeft het slachtoffer, in het reële geval dat zij op dat moment nog in leven was, doelbewust en planmatig willen doden door de brandstichting.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcc04ace01ec6368e8774a2a52979c92e283151491e25a44d16e16c443b35583. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcc04ace01ec6368e8774a2a52979c92e283151491e25a44d16e16c443b35583, en de alinea staat in dat document op bytes 93547 tot 94928.