Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 mei 2018

Alinea 97 Parket bij de Hoge Raad 15 mei 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:677.

Met het verrichten van deze voorbereidende handelingen voor brandstichting moet logischerwijs in ieder geval minimaal een zodanige tijd gemoeid zijn geweest dat voor de verdachte gedurende die tijd de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Het op drie plekken tegelijkertijd brand stichten in de onmiddellijke nabijheid van het lichaam van [slachtoffer] kan niet anders opgevat worden dan het doelbewust en planmatig willen doden van de op dat moment weerloze [slachtoffer] ; het vuur is immers niet op een willekeurige plek aangestoken. Dat [slachtoffer] na het door verdachte op haar hoofd uitgeoefende geweld voor of tijdens de brandstichting in weerloze toestand verkeerde, leidt het hof af uit de omstandigheid dat zij kennelijk niet aan de brand heeft kunnen ontsnappen in samenhang met de door de patholoog gerapporteerde omstandigheid dat bewustzijnsstoornissen kunnen zijn opgetreden als gevolg van de opgelopen hersenletsels.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcc04ace01ec6368e8774a2a52979c92e283151491e25a44d16e16c443b35583. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcc04ace01ec6368e8774a2a52979c92e283151491e25a44d16e16c443b35583, en de alinea staat in dat document op bytes 35729 tot 36857.