Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2018

Onder 1.24 Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:688.

In haar overwegingen omtrent het geschil heeft de Rechtbank, in r.o. 21, van belang geacht dat de inkeerregeling geen enkele beleidsruimte biedt aan de Inspecteur. De inkeerregeling is vastgelegd in een wet in formele zin, waarbij dwingend is, althans was, bepaald dat ‘een vergrijpboete niet wordt opgelegd’. Daarmee ziet de inkeerregeling naar het oordeel van de Rechtbank op de vraag of een ‘penalty’ wel of niet kan worden opgelegd. De inkeerregeling zou in dat kader als een vervolgingsuitsluitingsgrond kunnen worden aangemerkt, omdat de inkeerregeling ziet op het vervallen van het recht tot het opleggen van een boete (strafvervolging) jegens een verzwijger die onjuiste aangifte had ingediend, maar die (jaren) later, zonder dat de Inspecteur hem al op het spoor zou komen, bij wege van inkeer, openheid van zaken heeft gegeven aan de Inspecteur, door het alsnog indienen van een juiste en volledige aangifte, dan wel het alsnog verschaffen van de aanvankelijk verzwegen (bank)gegevens. Dat staat dan van rechtswege in de weg aan het kunnen opleggen van een fiscale boete. De Rechtbank heeft overwogen dat artikel 67n van de AWR aldus ligt in de sfeer van het ‘materiële’ boeterecht, zodat artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR wel toepasselijk zijn op de Nederlandse inkeerregeling.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/18cb4fa9b44007fba28b197788d5504d3e170c222c344056056e028dfad37651. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 18cb4fa9b44007fba28b197788d5504d3e170c222c344056056e028dfad37651, en de alinea staat in dat document op bytes 23521 tot 24837.