Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2018

Onder 2.7 Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:691.

In onderdeel 1.1 klaagt de Staat dat het hof in rov. 3.3 - 3.7 is uitgegaan van een onjuist toetsingskader. De uitspraak van het EHRM van 15 december 2016, waarnaar het hof in rov. 3.3 verwijst (zie noot 9 hiervoor), ging over een beweerde schending van art. 10 EVRM. Volgens de klacht is art. 10 EVRM in deze zaak niet van toepassing, zodat de in die uitspraak bedoelde afweging van belangen in dit geding niet aan de orde is. Volgens de Staat had het hof de door de moeder gestelde onrechtmatigheid van de handelwijze van de Raad voor de kinderbescherming moeten beoordelen aan de hand van de wettelijke taken van de Raad en de invulling van die taken in het concrete geval. Op grond van art. 1:238 BW worden de taken en bevoegdheden van de Raad uitsluitend bij wet in formele zin bepaald. In het kader van het beschermingsonderzoek en van de advisering behoefde de Raad geen afweging te maken tussen de belangen van de vader en die van de moeder en/of van de minderjarige, noch een afweging te maken tussen een of meer van deze belangen en het belang van de Raad. Bij onderzoek in het kader van de beschermingstaak en de advisering heeft de Raad volgens de Staat uitsluitend tot taak: te handelen in het belang van het minderjarige kind.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cfda370b624554700cda3832fb06c0b28905ca34b4d2a64f68cdac45a684c79c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cfda370b624554700cda3832fb06c0b28905ca34b4d2a64f68cdac45a684c79c, en de alinea staat in dat document op bytes 33696 tot 34988.