Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2018

Onder 2.16 Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:691.

Ten aanzien van toekomstig seksueel misbruik van een kind is niet méér mogelijk dan een beredeneerde schatting van de kans dat zulk misbruik zich zal voordoen. Tegenover elkaar stonden het standpunt van de vader dat hij zijn seksuele misstappen (gepleegd vóór 1997) al geruime tijd achter zich heeft gelaten en dat voor herhaling niet behoeft te worden gevreesd en, anderzijds, het standpunt van de moeder dat op basis van bepaalde aanwijzingen (door het hof vermeld in rov. 3.1.3) nog steeds het risico bestaat dat de zoon door de vader zal worden misbruikt. Voor het hof waren deze aanwijzingen voldoende houvast voor serieuze zorgen. Daartegenover stond dat de Raad voorafgaand aan de rapporten van 1 oktober 2010 en 28 juni 2011 onderzoek heeft gedaan, juist teneinde zich een beeld te vormen van het herhalingsrisico. Zo heeft de Raad het justitieel documentatieregister geraadpleegd en inlichtingen ingewonnen bij de laatste behandelaar van de vader, bij de politie (over de status van de aangifte die de moeder in april 2011 had gedaan), bij de vader zelf, bij het consultatiebureau en het kinderdagverblijf en ten slotte intern en extern deskundigen heeft geraadpleegd (zie rov. 3.1.4 en de genoemde rapporten). In dit geval deed zich de complicatie voor dat de waarschuwing voor seksueel misbruik afkomstig was van de moeder, die – naast het evidente belang dat de zoon wordt beschermd tegen misbruik – ook een eigen belang kon hebben bij de uitkomst van de familierechtelijke procedures . Het dilemma tussen de verschillende noden (‘ needs’ ) is in rov. 3.3 door het hof onder woorden gebracht aan de hand van een overweging uit voormelde EHRM-uitspraak van 15 december 2016. Het hof heeft zelf een oplossing voor dit dilemma gezocht en deze gevonden in een verplichting van de Raad om de vader nader te bevragen en ook de twee deskundigen die de vader in het verleden hadden behandeld ter zake om inlichtingen te vragen. Nu zou men kunnen zeggen dat dit oordeel te zeer met een beoordeling van de feiten is verweven om in cassatie inhoudelijk te kunnen worden getoetst. Toch bevredigt een dergelijk antwoord op de klacht niet. Het hof maakt evenmin als de gedingstukken melding van een standaard in de beroepsgroep of van een standaard in de desbetreffende tak van wetenschap die meebrengt dat de door de Raad verrichte onderzoeksinspanningen en ingewonnen inlichtingen objectief ontoereikend waren om zich een behoorlijk beeld te vormen van het herhalingsrisico. In dit licht bezien, slaagt m.i. de klacht van de Staat over de door het hof aangelegde maatstaf.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cfda370b624554700cda3832fb06c0b28905ca34b4d2a64f68cdac45a684c79c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cfda370b624554700cda3832fb06c0b28905ca34b4d2a64f68cdac45a684c79c, en de alinea staat in dat document op bytes 50779 tot 53507.