Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2018
Onder 3.7. Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:696.
In de literatuur wordt uit deze vaste rechtspraak van de Hoge Raad een aantal conclusies getrokken. In de eerste plaats kan worden vastgesteld dat de Hoge Raad zich om te kunnen bepalen wie al belanghebbende heeft te gelden in de zin van uiteenlopende wetsbepalingen waarbij een rechtspersoon betrokken is, heeft laten inspireren door de tweekringenleer die voor de jaarrekeningenprocedure is ontwikkeld. De eerste kring wordt daarbij gevormd door degenen die door de uitkomst van de procedure zodanig in een eigen belang worden getroffen dat zij daarin behoren te mogen opkomen ter bescherming van dat belang. De tweede kring bestaat uit degenen die anderszins zo nauw betrokken zijn (geweest) bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen in de procedure te verschijnen. In deze zaak staat de tweede kring centraal. De door de Hoge Raad in de Stichting IHD-beschikking geformuleerde tweekringenleer had betrekking op het belanghebbende-begrip in art. 2:298 BW. In de literatuur lijkt nog discussie te bestaan over de vraag of deze leer ook van toepassing is op het belanghebbende-begrip in art. 2:21 lid 4 BW. Het hof overweegt in rov. 2.8.2 van de bestreden beschikking in cassatie onbestreden, dat de tweekringenleer zoals geformuleerd in HR 10 november 2006 ( Stichting IHD ) van overeenkomstige toepassing is op het begrip belanghebbende in art. 2:21 BW. Met die maatstaven kan de kring van belanghebbenden mijns inziens voldoende worden afgegrensd in het licht van de doelstelling van de wettelijke bepaling met aandacht voor het belang van de bescherming van de rechtspersoon. Het hof verwijst in rov. 2.8.2 overigens ten onrechte naar HR 25 oktober 1991, ter onderbouwing van zijn oordeel dat de in HR 10 november 2006 geformuleerde maatstaf van overeenkomstige toepassing is ter zake van het belanghebbende-begrip in art. 2:21 BW. Die onjuiste verwijzing is in cassatie niet van belang. In het cassatieverzoekschrift wordt het oordeel van het hof dat de maatstaf uit de Stichting IHD-beschikking van overeenkomstige toepassing is op de belanghebbende in de zin van art. 2:21 BW terecht geacht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7e451b5e8bd6b4afe76ff944bf576369125c7553722a7bb438bf67978cb54144. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7e451b5e8bd6b4afe76ff944bf576369125c7553722a7bb438bf67978cb54144, en de alinea staat in dat document op bytes 32935 tot 35381.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7e451b5e8bd6b4afe76ff944bf576369125c7553722a7bb438bf67978cb54144 | shasum -a 256