Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2018

Onder 5.5. Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:724.

Gelet op deze vaststellingen heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de poging tot inbraak. De vraag is of die betrokkenheid als medeplegen kan worden aangemerkt. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de verdachte weliswaar is gezien met een breekijzer in zijn handen, maar dat daarmee niet is gezegd dat dit het breekijzer was waarmee gepoogd werd het raam open te breken. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat er twee breekijzers in het spel waren en dat op het breekijzer dat was gebruikt alleen sporen van een ander zijn aangetroffen. Inderdaad kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat de verdachte degene is geweest die getracht heeft het raamkozijn open te breken met een breekijzer en dus evenmin dat de verdachte een uitvoeringshandeling heeft verricht. Het zou het hof niet hebben misstaan als het zou hebben uiteengezet waarom het van oordeel is dat desondanks van medeplegen kan worden gesproken. Het ontbreken van die nadere motivering maakt in het onderhavige geval naar mijn mening echter niet dat de bewijsvoering zodanig tekortschiet dat cassatie dient te volgen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/03ebef0753e542e6d57d4c8e644350baa731640f6f590ec1d3947b4eeb7cbda6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 03ebef0753e542e6d57d4c8e644350baa731640f6f590ec1d3947b4eeb7cbda6, en de alinea staat in dat document op bytes 20623 tot 21793.