Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 april 2018
Onder 2.8. Parket bij de Hoge Raad 20 april 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:741.
‘…mijns inziens [mag] niet de eis van een strikte uitleg gesteld worden. Gewoonlijk wordt deze eis verdedigd aan de hand van het karakter van de voorrechten als uitzondering op het beginsel van de paritas creditorum. Mijns inziens is deze opvatting onjuist en in elk geval niet meer op zijn plaats nu de wetgever de regeling van de voorrechten aan een herziening heeft onderworpen. De rechtsspreuk “exceptiones sunt strictissimae interpretationis” mist historische en theoretische grondslag en is bovendien niet toe te passen. Welke grond is er om de reikwijdte van een wettelijke uitzonderingbepaling niet, zoals alle andere wettelijke bepalingen, vast te stellen aan de hand van de tekst, totstandkomingsgeschiedenis, strekking, systeem en andere factoren die van belang zijn voor de rechtsvinding? De wet biedt geen aanknopingspunt voor een beperkende uitleg. Dat artikel 3:278 lid 2 BW bepaalt dat voorrechten alleen uit de wet ontstaan, is bedoeld om aan te geven dat deze rechten, in tegenstelling tot pand en hypotheek, van rechtswege aan een vordering verbonden zijn, dat partijen niet door een rechtshandeling aan vorderingen een voorrecht kunnen toekennen en dat er niet meer voorrechten zijn dan de wet in formele zin (geen lagere wetgeving) bepaalt. Een wettelijke grondslag is dus voldoende. Zou de grond voor strikte uitleg inderdaad in het voorrangsrecht en de daarmee gepaard gaande aantasting van de rechten van medeschuldeisers liggen, dan zou de uitlegregel ook moeten gelden voor de wettelijke regeling van de andere gronden van voorrang. Van een terughoudende benadering van de wettelijke regeling van pand of hypotheek blijkt echter niet in rechtspraak of literatuur. Alleen met betrekking tot de vraag of zaaksvervanging mogelijk is, was dat anders. Inmiddels heeft de wetgever in deze vraag voorzien. Voor de andere bijzondere verhaalsrechten moet hetzelfde worden aangenomen. De reden om de wettelijke regeling van de voorrechten streng uit te leggen moet vermoedelijk gezocht worden in de onvrede die onder de gelding van het oude recht bestond ten aanzien van de rechtsgrond voor bepaalde voorrechten. Tekenend is het dat de uitlegregel alleen of voornamelijk gehoord wordt bij de voorrechten in het oude Burgerlijk Wetboek en het publiekrecht. Bij de voorrechten op schepen, met inbegrip van het bijzondere verhaals- en volgrecht, is dat bij mijn weten niet het geval geweest. Inmiddels heeft de wetgever ook op het vlak van de rechtsgronden de regeling van de voorrechten in het Burgerlijk Wetboek grondig doorgelicht. Alleen bij de publiekrechtelijke voorrechten is dat (nog) niet het geval geweest.’
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/be746b1c20cb824d1e9f2afa4f8fe1f63bf4893e1004a1e6636f553692d46b86. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt be746b1c20cb824d1e9f2afa4f8fe1f63bf4893e1004a1e6636f553692d46b86, en de alinea staat in dat document op bytes 43858 tot 46511.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/be746b1c20cb824d1e9f2afa4f8fe1f63bf4893e1004a1e6636f553692d46b86 | shasum -a 256