Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 april 2018

Onder 3.37. Parket bij de Hoge Raad 20 april 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:742.

Ik stel voorop dat het bestaan van een “enquêterechtelijke variant van het legaliteitsbeginsel” in cassatie niet wordt bestreden. Het onderdeel klaagt er uitsluitend over dat het Hof de reikwijdte van het enquêterechtelijke legaliteitsbeginsel heeft beperkt tot het niet kunnen treffen van voorzieningen ex artikel 2:282 lid 3 jo. artikel 2:283 BWC. De klacht treft geen doel. Het Hof heeft mijns inziens op goede gronden aangenomen dat de werking van de enquêterechtelijke variant van het legaliteitsbeginsel niet zover gaat dat ook het niet kunnen vaststellen van wanbeleid en het aanwijzen van een of meer verantwoordelijken voor dat vastgestelde wanbeleid op basis van anterieure feiten onder de reikwijdte van dat beginsel zouden vallen. De Curaçaose wetgever is ervan uitgegaan dat – ook in het enquêterecht – in beginsel kan worden vastgehouden aan het overgangsrechtelijke regime van de onmiddellijke werking. Het legaliteitsbeginsel is in het enquêterecht van een andere orde dan in het strafrecht (zie hierna onder nr. 3.39). Daar komt nog bij dat voor de door het Hof gehanteerde reikwijdte van de enquêterechtelijke variant van het legaliteitsbeginsel uit het strafrecht steun gevonden kan worden in artikel 37n van de Landsverordening overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek uit 2004 (zie nr. 3.25 van mijn conclusie). Een bepaling vergelijkbaar met artikel 37n bij de invoering van de mini-enquête bij de stichting per 1 maart 2004 ontbreekt bij de invoering van het algemene enquêterecht per 1 januari 2012. Op basis van de enquêterechtelijke variant van het legaliteitsbeginsel komt het Hof in rov. 4.1.8 echter tot hetzelfde resultaat als in artikel 37n voor de mini-enquête bij de stichting. Uitsluitend bij het treffen van een sanctie – in de mini-enquête was dat het ontslag van de stichtingsbestuurder in de zin van artikel 2:55 lid 1 onder b BW(-NA) en in het huidige enquêterecht per 1 januari 2012 is dat het treffen van voorzieningen als bedoeld in artikel 2:282 lid 3 jo. 2:283 BWC – dienen anterieure feiten buiten beschouwing te blijven. Ik verwijs in dit verband bovendien nogmaals naar de hierboven aangehaalde toelichting op artikel 5.61 van de (Nederlandse) Aanwijzingen voor de regelgeving waarin met zoveel woorden is opgemerkt dat “[o]p grond van deze bepalingen [zoals artikel 1 Sr, artikel 16 Gw en artikel 7 EVRM, A-G] feiten die vóór de inwerkingtreding zijn geschied, niet strafbaar of zwaarder strafbaar [kunnen] worden gesteld [curs. A-G].”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f4c95a2f6fbd55abd14010cff2998cfcd3db9f9e7d440af0e802fdd308c23448. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f4c95a2f6fbd55abd14010cff2998cfcd3db9f9e7d440af0e802fdd308c23448, en de alinea staat in dat document op bytes 130150 tot 132746.