Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 april 2018

Onder 3.43. Parket bij de Hoge Raad 20 april 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:742.

Als de overweging van het Hof desalniettemin zo gelezen zou moeten worden dat de verwijzing wél de voorzieningen als bedoeld in art. 2:276 BWC omvat, leidt dat – anders dan het onderdeel betoogt – nog niet tot een “gemankeerd” enquêterecht. Ik herhaal dat de beperking die het Hof zich oplegt ook in die lezing nog steeds alleen van toepassing is bij het uitsluitend op grond van anterieure feiten toewijzen van – in dit geval voorlopige – voorzieningen ten nadele van personen. Overigens blijkt uit de hiervoor aangehaalde empirische onderzoeken naar het Nederlandse enquêterecht dat door de Ondernemingskamer in een minderheid – 45% – van het totale aantal zaken sinds 1994 – het jaar dat artikel 2:349a lid 2 BW werd ingevoerd – onmiddellijke voorzieningen zijn getroffen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f4c95a2f6fbd55abd14010cff2998cfcd3db9f9e7d440af0e802fdd308c23448. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f4c95a2f6fbd55abd14010cff2998cfcd3db9f9e7d440af0e802fdd308c23448, en de alinea staat in dat document op bytes 147359 tot 148269.