Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2018

Onder 3.27. Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:749.

Het onderdeel slaagt. Het oordeel van het hof is in het licht van de overwegingen van de rechtbank en de tweede incidentele grief van [eiseres] onbegrijpelijk. Ik merk op dat de stelling die [eiseres] in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat Euretco in strijd met haar verplichting heeft geweigerd om [eiseres] te benoemen tot commissaris van MKB B.V., in strijd is met de wet. [eiseres] is een BV. In artikel 2:250 lid 1 BW is bepaald dat de raad van commissarissen van een BV bestaat uit een of meer natuurlijke personen. Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat in artikel 5.4 van de koopovereenkomst is bepaald dat [betrokkene 1] in persoon (en niet zijn vennootschap [eiseres] ) als commissaris van MKB B.V. zou worden voorgedragen. De rechtbank heeft het doel van artikel 5.4 van de koopovereenkomst in rov. 2.28 uitgelegd als het ten behoeve van een derde, namelijk [betrokkene 1] , bedingen van een commissariaat. In rov. 2.29 heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat [eiseres] haar stelling dat zij schade lijdt als gevolg van het niet benoemen van [betrokkene 1] als commissaris niet voldoende heeft onderbouwd. Het hof heeft deze overwegingen van de rechtbank in rov. 3.11 samengevat weergegeven. Tegen deze achtergrond dient de tweede incidentele grief van [eiseres] begrepen te worden. [eiseres] heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat niet haar, maar [betrokkene 1] , ter zake van de commissarisbeloningen een vordering toekwam. Dit blijkt ook uit de door het hof in rov. 3.14 geciteerde passage uit de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel beroep van [eiseres] , waarin onder meer wordt opgemerkt dat de overwegingen 2.26 t/m 2.34 (waaronder dus rov. 2.28 en 2.29) alsook de daarin vervatte beslissingen in de appelprocedure tot (vaststaand) uitgangspunt hebben te dienen. Mijns inziens had het hof de cessie ter incasso, die het hof in rov. 3.13 mogelijk acht, dan ook niet anders kunnen begrijpen dan dat [eiseres] in hoger beroep ten behoeve van [betrokkene 1] de misgelopen commissarisbeloningen vorderde en de grondslag van haar vordering ook in dier voege had gewijzigd. Ik verwijs naar de randnummers 17.1-17.6 van de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel beroep. In die randnummers (in onderlinge samenhang) kan ik niet anders lezen dan dat ten behoeve van [betrokkene 1] een vordering wordt ingesteld wegens misgelopen commissarisvergoedingen en dat daarmee de grondslag van de vordering werd gewijzigd. Dit maakt het oordeel van het hof voor mij niet begrijpelijk. Ik kom op de geoorloofdheid van deze cessie ter incasso nog terug bij de bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0454d7e301a34eb93176dc8684f7ad527636ea2f0dba043f200a885e3303f3f2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0454d7e301a34eb93176dc8684f7ad527636ea2f0dba043f200a885e3303f3f2, en de alinea staat in dat document op bytes 85434 tot 88280.