Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2018
Onder 4.20 Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:752.
Onderdeel 4 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 3.10.2, dat – in de woorden van het onderdeel – “geen sprake was van een arbeidsovereenkomst omdat [eiser] weliswaar arbeid heeft verricht, maar hij dat niet deed ten behoeve van FRE.” In dit oordeel ligt volgens het onderdeel besloten dat van een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 lid 1 BW alleen sprake kan zijn indien de arbeid wordt verricht ten behoeve van de werkgever . Een vereiste dat de arbeid ten behoeve van de werkgever moet worden verricht is evenwel niet opgenomen in art. 7:610 lid 1 BW. Het hof heeft dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het onderdeel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c38794ba887e56dd06793816e01f43bc858fd9bf72e9814071f1b3e72da48568. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c38794ba887e56dd06793816e01f43bc858fd9bf72e9814071f1b3e72da48568, en de alinea staat in dat document op bytes 48393 tot 49187.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c38794ba887e56dd06793816e01f43bc858fd9bf72e9814071f1b3e72da48568 | shasum -a 256