Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2018
Alinea 85 Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:773.
25. Het hof behoefde mijns inziens echter niet vast te stellen dat de verdachte dacht dat zijn gedrag strafbaar was om bewezen te kunnen verklaren dat de verdachte opzettelijk de eer en goede naam van [betrokkene 1] heeft aangerand. Opzet impliceert in het algemeen gesproken niet een eis van boos opzet. En uit de wetsgeschiedenis en wetssystematiek volgt niet dat het in de rede ligt om bij smaad en laster een uitzondering op dat uitgangspunt te maken. Als de wetgever in het eerste lid van art. 261 Sr alleen de wederrechtelijke aanranding strafbaar had willen stellen, had het niet in de rede gelegen in het derde lid een bepaling te formuleren waarvan de wetgever zelf (zo bleek bij de bespreking van het eerste middel) eerder heeft aangenomen dat zij een rechtvaardigend karakter heeft.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3711bf7690e83bcce43dfa78b67c896d96beec6f51695e7ee473a126a89f80b4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3711bf7690e83bcce43dfa78b67c896d96beec6f51695e7ee473a126a89f80b4, en de alinea staat in dat document op bytes 43648 tot 44582.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3711bf7690e83bcce43dfa78b67c896d96beec6f51695e7ee473a126a89f80b4 | shasum -a 256