Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2018

Alinea 87 Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:773.

27. De steller van het middel onderbouwt niet waarom de verdachte niet opzettelijk de eer en goede naam van [betrokkene 1] heeft aangerand. Uit de delictsomschrijvingen van smaad en laster kan een aanwijzing worden afgeleid dat aan deze eis in de context van deze delictsomschrijvingen weinig zelfstandige betekenis toekomt. De aanranding van iemands eer of goede naam zal in de regel gegeven zijn met het ten laste leggen van het ‘bepaald feit’ dat art. 261, eerste lid, Sr eist. Dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de eer en goede naam van de betrokkene heeft aangerand, vloeit naar het mij voorkomt gewoonlijk voort uit het ten laste leggen van een bepaald feit, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is. Dat de verdachte aan [betrokkene 1] een bepaald feit ten laste heeft gelegd, door van vermissing van de drie kinderen te reppen en deze in verband te brengen met handelingen van [betrokkene 1], wordt in de middelen niet bestreden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3711bf7690e83bcce43dfa78b67c896d96beec6f51695e7ee473a126a89f80b4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3711bf7690e83bcce43dfa78b67c896d96beec6f51695e7ee473a126a89f80b4, en de alinea staat in dat document op bytes 46312 tot 47389.