Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 juli 2018
Onder 3.61 Parket bij de Hoge Raad 6 juli 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 juli 2018, ECLI:NL:PHR:2018:785.
“…de rechtszekerheid – welke het instituut van de verjaring mede beoogt te dienen (vgl. HR 3 november 1995, nr 15801, NJ 1998, 380) – een vaste termijn [eist]; daarom kan in het algemeen niet worden afgeweken van het in art. 3:310 lid 1 vermelde aanvangstijdstip van die termijn. Voor zover zulks ertoe leidt dat een vordering verjaart welke de schuldeiser niet geldend heeft kunnen maken – een geval dat art. 3:310 lid 1 BW blijkens zijn bewoordingen juist beoogt te voorkomen – is dat uit een oogpunt van individuele gerechtigheid moeilijk te accepteren. Daarom is, wanneer zulk een niet geldend kunnen maken voortvloeit uit omstandigheden die aan de debiteur moeten worden toegerekend, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat deze zich erop zou vermogen te beroepen dat de vijfjarige verjaring een aanvang heeft genomen op het in art. 3:310 lid 1 omschreven aanvangstijdstip daarvan. In zodanig geval moet dan ook worden aangenomen dat de verjaringstermijn eerst een aanvang neemt wanneer die omstandigheden het kunnen geldend maken van de vordering niet langer verhinderen (HR 23 oktober 1998 nr 16567, RvdW 1998, 190 [ NJ 2000/15; A-G]).”
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eac092986d5d127f2fad053f6505aabb24c7394526eaa34a7e430ef84a309b57. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eac092986d5d127f2fad053f6505aabb24c7394526eaa34a7e430ef84a309b57, en de alinea staat in dat document op bytes 108203 tot 109533.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eac092986d5d127f2fad053f6505aabb24c7394526eaa34a7e430ef84a309b57 | shasum -a 256