Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 juli 2018
Onder 2.22 Parket bij de Hoge Raad 6 juli 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 juli 2018, ECLI:NL:PHR:2018:787.
Tegen deze achtergrond maak ik nog een enkele opmerking over het rechtsvergelijkende argument (rov. 4.12 van het tussenvonnis van 13 februari 2018). Het stelsel van art. 6:265 lid 1 BW impliceert een andere taakverdeling tussen partijen dan een stelsel dat voor ontbinding vereist dat de tekortkoming ‘wezenlijk’ of ‘fundamenteel’ is. Daarbij moet worden opgemerkt dat dergelijke stelsels, met het oog op de voor de schuldeiser wenselijke zekerheid, wel uitdrukkelijk kunnen voorzien in de mogelijkheid van ontbinding (ook) bij een niet-fundamentele tekortkoming na een termijnstelling voor nakoming. Dit nuanceert het verschil tussen een systeem dat een ‘ja, tenzij’-uitgangspunt hanteert, zoals art. 6:265 lid 1 BW, en een systeem dat een ‘ja, mits’-uitgangspunt hanteert. Het Nederlandse recht gaat voorts uit van de vrijheid van de schuldeiser om voor ontbinding te kiezen in plaats van voor nakoming of vervangende schadevergoeding (naast aanvullende schadevergoeding). Die vrijheid bestaat ook in stelsels die de schuldeiser een recht op ontbinding bieden mits de tekortkoming wezenlijk of fundamenteel is. Dat ligt anders in stelsels waarin de rechter uiteindelijk beslist over de vraag of ontbinding toegestaan is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e9e443dc38bde87e5a404c68942d09deadbc85fe66f86102023792906005ad7c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e9e443dc38bde87e5a404c68942d09deadbc85fe66f86102023792906005ad7c, en de alinea staat in dat document op bytes 42261 tot 43962.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e9e443dc38bde87e5a404c68942d09deadbc85fe66f86102023792906005ad7c | shasum -a 256