Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2018
Onder 2.6 Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2018, ECLI:NL:PHR:2018:791.
In hoger beroep heeft [verweerder] de gedeeltelijke inwilliging van het beroep op bevrijdende verjaring bestreden. In het incidenteel hoger beroep heeft [eiser] de gedeeltelijke verwerping van zijn beroep op bevrijdende verjaring bestreden. Het hof heeft het verjaringsvraagstuk besproken in rov. 6.21 – 6.33. Samengevat is het hof tot de volgende bevindingen gekomen. Het hof kon zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de verjaringstermijn op 2 februari 2005 is aangevangen. Naar het oordeel van het hof was [verweerder] ten tijde van de aanvang van de Rotterdamse procedure op 19 april 2004 al in staat de vordering tot schadevergoeding in te stellen tegen [eiser] . Dat in april 2004 voor [verweerder] nog onvoldoende zekerheid bestond dat de feiten (waarmee hij toen bekend was) in rechte zouden komen vaststaan, acht het hof niet relevant: voor het aanvangen van de verjaringstermijn is immers niet vereist dat de benadeelde (ook) bekend is met de juridische beoordeling van de aansprakelijkheid (rov. 6.26) .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a2d6d6dd32ccd5be782267da579647cf1d0cd267032f3f68776381b751763b47. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a2d6d6dd32ccd5be782267da579647cf1d0cd267032f3f68776381b751763b47, en de alinea staat in dat document op bytes 39322 tot 40467.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a2d6d6dd32ccd5be782267da579647cf1d0cd267032f3f68776381b751763b47 | shasum -a 256