Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2018

Onder 2.10 Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2018, ECLI:NL:PHR:2018:791.

Onderdeel 1.1 klaagt dat het oordeel rechtens onjuist is, in zoverre het hof ervan uitgaat dat in de gegeven omstandigheden van [verweerder] “niet redelijkerwijs mocht worden verwacht” dat hij − eerder dan hij in feite heeft gedaan − een vordering instelde dan wel een stuitingsbrief aan [eiser] deed uitgaan (rov. 6.30). Volgens [eiser] gaat er niet om, wat redelijkerwijs van [verweerder] kon worden verwacht: de hoofdregel brengt mee dat de verjaringstermijn van vijf jaren gaat lopen wanneer de benadeelde “daadwerkelijk een rechtsvordering kan instellen”. Volgens de toelichting op deze rechtsklacht is een toetsing aan de redelijkheid en billijkheid al verdisconteerd in de jurisprudentie over de bepaling van het aanvangstijdstip. Nu het hof heeft vastgesteld dat [verweerder] in 2004 daadwerkelijk in staat was om de vordering tot schadevergoeding tegen [eiser] in te stellen (zie rov. 6.26), had het hof volgens dit middelonderdeel niet meer de vrijheid om, op de grond dat van de benadeelde niet redelijkerwijs mocht worden verwacht dat hij zijn vordering eerder instelde, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten dat de schadeveroorzaker zich op het verstrijken van deze termijn beroept.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a2d6d6dd32ccd5be782267da579647cf1d0cd267032f3f68776381b751763b47. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a2d6d6dd32ccd5be782267da579647cf1d0cd267032f3f68776381b751763b47, en de alinea staat in dat document op bytes 45168 tot 46475.