Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2018
Onder 2.8 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2018
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:84.
Het hof heeft deze omstandigheden volgens mij ten onrechte alleen genoemd en betrokken bij de beantwoording van de vraag of de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat de korte verjaringstermijn pas op een later moment begint te lopen (rov. 4.5 onder B en rov. 4.8). Het hof had dit ook moeten betrekken bij de vraag of er bij TMG sprake was van voldoende zekerheid dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de Staat als ijkpunt voor het gaan lopen van de korte verjaringstermijn uit art. 3:310 lid 1 BW. Met andere woorden: het hof had ook moeten beoordelen of TMG in 1998-2000 gelet op de indicaties die er op wezen dat van een implementatiefout van de Staat geen sprake was, voldoende concrete aanknopingspunten had om (toch) uit te gaan van een implementatiefout van de Staat. Dit zijn volgens mij vergelijkbare mee te wegen maar niet door het hof meegewogen factoren als die vermeld in het laatste deel van rov. 3.3.4 uit Mispelhoef/Staat. We zullen hierna zien dat daar in onderdeel 1 terecht over wordt geklaagd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e35ef0bb2f5fcad4c565c088be415e0bf4ce801563040bae08d677d85bd737e4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e35ef0bb2f5fcad4c565c088be415e0bf4ce801563040bae08d677d85bd737e4, en de alinea staat in dat document op bytes 58474 tot 59671.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e35ef0bb2f5fcad4c565c088be415e0bf4ce801563040bae08d677d85bd737e4 | shasum -a 256