Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 februari 2018

Onder 3.7. Parket bij de Hoge Raad 6 februari 2018

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:88.

Op 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:78, heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een vergelijkbare zaak. Ook in deze zaak was volgens de verdediging aan de verdachte de mogelijkheid onthouden om voorafgaand aan zijn politieverhoor zijn voorkeursadvocaat te kunnen raadplegen, terwijl hij wel consultatiebijstand had gehad van een piketadvocaat. De Hoge Raad heeft de zaak afgedaan door te oordelen dat het hof het verweer, dat inhield dat sprake was van een vormverzuim ex art. 359a Sv dat zou moeten leiden tot strafvermindering, slechts had kunnen verwerpen, (“reeds”) omdat de verdediging niet gemotiveerd aan de hand van de in het tweede lid van die bepaling genoemde factoren had aangegeven dat en waarom een en ander tot strafvermindering moest leiden. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat de Hoge Raad van oordeel is dat de die verdachte zijn consultatierecht wel heeft kunnen uitoefenen (zodat geen inbreuk is gemaakt op zijn consultatierecht), nog wel een beroep kan doen op een vormverzuim als dat niet de bijstand van een ‘voorkeursadvocaat’ is geweest. Aan de verdere invulling daarvan kwam de Hoge Raad niet toe aangezien de onderbouwing van het verweer onvoldoende was, zodat de Hoge Raad niet gehouden was op dit punt uitsluitsel te geven. De afdoening van de Hoge Raad strookt met de rechtspraak inzake bewijsuitsluiting betreffende de ‘Salduz-jurisprudentie’. Indien een aangehouden verdachte in het geheel niet de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv met in de regel uitsluiting voor het bewijs van de afgelegde verklaringen van de verdachte als gevolg. Een toetsing in het licht van de wettelijke beoordelingsfactoren van art. 359a lid 2 Sv is dan niet aan de orde. In het berechte geval was wel de gelegenheid geboden (en benut) om een advocaat te consulteren. De kwestie of dat wel of niet de advocaat is geweest die de voorkeur verdiende van de verdachte valt onder de minder zware toets van het ‘normale’ vormverzuim. De afweging van de in art. 359a Sv genoemde factoren is dan doorslaggevend, ook in die zin dat een beroep van de verdediging op het vormverzuim moet worden gemotiveerd, waarbij aan die factoren invulling wordt gegeven. In zoverre is door de Hoge Raad duidelijkheid geschapen op het punt. En, eveneens in zoverre, is door de Hoge Raad wel aandacht besteed aan de (mogelijke) rechtsgevolgen van een dergelijk verzuim, zij het dat hij ondanks het uitdrukkelijke verzoek van mijn ambtgenoot Spronken, geen aanleiding heeft gezien om ten aanzien van deze problematiek nader in te gaan op het arrest van het EHRM in de zaak Dvorski vs. Kroatië.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/20c981fda204729439b2578d0ff85e9f682be3f1e4bdb207778040da2440ab56. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 20c981fda204729439b2578d0ff85e9f682be3f1e4bdb207778040da2440ab56, en de alinea staat in dat document op bytes 14205 tot 17144.